EnglishNederlands
Integrale Veiligheidsanalyse Maastricht 2014—2017

Jeugdoverlast en -problematiek

Overlast van jongeren, vaak in groepsverband kan mildere of zwaardere vormen aannemen. Van geluidsoverlast, intimiderend aanwezig zijn, zwerfvuil achterlaten tot vernielingen en dergelijke.

Politiecijfers
2014 2015 2016 2017 2018
Vandalisme/Baldadigheid 114 92 86 78 78
Melding overlast jeugd 265 259 326 377 439

Het objectieve beeld van de omvang overlast jeugd wordt bepaald aan de hand van politieregistraties ‘overlast jeugd’ en ‘vandalisme/baldadigheid’. Beide registraties hebben (overwegend) betrekking op jeugdigen. In de afgelopen 4 jaar is het aantal politieregistraties betreffende overlast jeugd trendmatig gestegen. Het aantal politieregistraties betreffende vandalisme/baldadigheid is daarnaast trendmatig gedaald.

Veiligheidsmonitor
2014 2015 2016 2017
% Rondhangende jongeren: veel overlast [%] 8.8 8.7 6.4 7.2
% Goede voorzieningen voor jongeren: mee eens [%] 16.8 17.9 20.5 17

Het percentage inwoners dat aangeeft veel overlast te ervaren van rondhangende jongeren is in de afgelopen jaren ongeveer gelijk gebleven (rekening houdend met de betrouwbaarheidsmarges).

In de afgelopen 4 jaar geeft gemiddeld 18 procent van de Maastrichtenaren aan dat er goede voorzieningen voor jongeren zijn.

Beeld professionals

Drugs- en drankgebruik onder jongeren

Criminele activiteiten jongeren

Aanspreekbaarheid jongeren(groepen)

Professionals noemen drugs- en drankgebruik onder jongeren, criminele activiteiten onder jongeren en de aanspreekbaarheid van jongeren als belangrijkste thema’s voor de aanpak van jeugdoverlast in groepsverband.

Bij jeugdoverlast gaat het vooral om overlast in groepsverband, zowel in ‘milde’ vorm als hardnekkiger, ’zwaarder’. Het kan gaan om geluidsoverlast, intimiderend aanwezig zijn, zwerfvuil achterlaten en soms vernielingen en andere vormen van criminaliteit. Kenmerkend voor de minder zware groepen is dat ze in principe goed aanspreekbaar/corrigeerbaar zijn door de omgeving. Zwaardere vormen kennen een meer ‘eigen systeem’ (hiërarchie) in de groepen en zijn lastiger te corrigeren. Ook is er veelal (lichte) criminaliteit in het spel.

Het onderdeel ‘jeugdproblematiek’ heeft vooral betrekking op individuele problematische jongeren. Het gaat om jongeren met problemen op meer leefgebieden, vaak ook ‘veelpleger’. Ze vormen mogelijk de harde kern van jeugdgroepen, soms zelfs criminele groepen. Het betreft zogenaamde ‘complexe casuïstiek’ die een integrale PGA (eventueel Top X-aanpak) behoeft.

Volgens de politieregistraties stijgt jeugdoverlast trendmatig. Maar volgens de Veiligheidsmonitor blijft de overlast van rondhangende jongeren ongeveer gelijk in de afgelopen jaren. Een verklaring hiervoor kan zijn dat bij de politie vooral hardnekkige overlast wordt gemeld die zich op specifieke locaties concentreert. Dat heeft als gevolg dat meer meldingen van dezelfde personen afkomstig kunnen zijn, zodat het aantal registraties hoger uitvalt. Bij de Veiligheidsmonitor betreft het een steekproef onder bewoners.

Verder blijkt uit onderzoek dat het aantal jeugdige verdachten de afgelopen jaren dalende is. Net als bij de veelvoorkomende criminaliteit is dit een landelijke trend. Een verklaring voor deze daling is de opkomst van de spelcomputer en de smartphone. Jongeren brengen meer tijd online door en minder buiten. Hierdoor zijn zij minder vatbaar voor criminele vrienden en komen zij minder in de gelegenheid om impulsieve misdrijven te plegen. Door het verband tussen voortijdig schoolverlaten en criminaliteit lijkt ook het afnemend aantal voortijdig schoolverlaters een bijdrage te leveren aan het dalende percentage verdachten onder jongeren.

Om verandering in jeugddelinquentie te kunnen verklaren is het relevant om ook veranderingen op microniveau te bestuderen. In een trendstudie ‘De daling in jeugddelinquentie: minder risico, meer bescherming’ is geconcludeerd dat er sprake is van meer gelijktijdig optredende ontwikkelingen die bijdragen aan de daling in criminaliteit. In deze studie wordt geconcludeerd dat de daling in jeugddelinquentie mogelijk kan worden verklaard door gelijktijdige veranderingen in blootstelling aan risico- en beschermende factoren op meer leefdomeinen. Minder blootstelling aan risicofactoren, zoals alcoholgebruik of delinquente vrienden en meer ervaringen met beschermende factoren, vooral binnen de gezinscontext, zoals een toename in de ervaren emotionele steun, betrokkenheid en monitoring door ouders. De ontwikkelingen wijzen op een in de tijd veranderende sociaal-culturele houding, zowel bij jongeren zelf als bij hun ouders, die steeds meer jongeren ervan weerhoudt risicogedrag te vertonen.

Er is veel bekend over welke factoren in de adolescentieperiode gerelateerd zijn aan delinquentie (Loeber e.a., 2008; Tanner-Smith e.a., 2013). Risicofactoren in het individuele domein zijn bijvoorbeeld eerder probleemgedrag, alcohol- of drugsgebruik, impulsiviteit en risico’s willen nemen (Loeber e.a., 2008). Anderzijds zijn sociaalvaardig gedrag en goed kunnen oriënteren op taken beschermende factoren (Pollard e.a., 1999). In het gezinsdomein versterken negatieve opvoedingsstijlen, zoals verwaarlozing en huiselijk geweld, de kans op delinquentie (Loeber e.a., 2008). Anderzijds wordt delinquentie gedempt door emotionele steun en toezicht van ouders (Hoeve e.a., 2009), openheid van kinderen naar ouders toe (Hoeve e.a., 2009; Stattin & Kerr, 2000) en een goede band met ouders (Hoeve e.a., 2012).

In het vriendendomein is delinquentie van vrienden een belangrijke risicofactor voor eigen delinquentie (Loeber e.a., 2008). In het domein van de school zijn slechte schoolprestaties (Maguin & Loeber, 1996) en slechte binding met school risicofactoren, terwijl binding met leerkrachten bescherming kan bieden (Stouthamer-Loeber e.a., 2002).

Bij jeugdoverlast en -criminaliteit is het van belang om rekening te houden met verschillende elementen die delinquent gedrag bij jongeren kunnen veroorzaken. Inzicht in de oorzaken van bepaalde gedragingen bij jongeren is relevant om te bepalen welke maatregelen effectief ingezet kunnen worden om de mate van overlast beheersbaar te houden en te voorkomen dat jongeren afglijden naar ernstigere vormen van crimineel gedrag. In dit verband zijn inzichten verkregen uit de levensloopcriminologie nuttig. Daarbij wordt gewezen op het belang van de levenslooptheorie van T.E. Moffitt (1993) die stelt dat er 2 soorten delinquenten zijn: de levensloop persistente delinquenten (LCP: Life-Course-Persistent) en de adolescent gelimiteerde delinquenten (AL: Adolescence-Limited). Deze theorie is meermaals empirisch onderzocht en bevestigd.

Uit het voorgaande blijkt dat er verschillende interventiemogelijkheden/-momenten zijn om crimineel en overlastgevend gedrag bij jongeren te beteugelen. Het versterken van beschermende factoren en wegnemen of verminderen van risicofactoren zijn daarbij bepalend.

Jong, J. de (2018), Het mysterie van de verdwenen criminaliteit, Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek Weblink

Laan, A. van der, Rokven, J., Weijters, G. & Beerthuizen, M. (2018), De daling in jeugddelinquentie: minder risico, meer bescherming, Tijdschrift voor Criminologie, 60 (1), 35-57 Weblink

Moffitt, T.E. (1993), Adolescence-limited and life-course-persistent antisocial behavior – a developmental taxonomy, Psychological Review 100, 674-702 PDF